Als eerste tip om te lezen heb ik gekozen voor ‘Het Kleine Sterven’ van Dimitri Leue. Aangezien ik toneel en voordracht volg krijgen wij daarbij ook het verplichte vak RS, ofwel repertoire studie. Hierbij hebben we dit kortverhaal eens gelezen/gespeeld. Het is een zeer aangrijpend stuk over 2 geliefden die door een tragische ziekte uit elkaar worden getrokken. Maar ook de jeugdige onbezonnenheid, genaamd verliefd zijn, speelt een grote rol. Dit kortverhaal doet je even stilstaan bij jouw leven, waar alles als ‘normaal’ wordt beschouwd. Ondanks het lot daar anders kan over beslissen. De 2 hoofdpersonages zijn Hannah en Seppes, die nog maar kort een relatie hebben, tot Hannah ziek blijkt te zijn. Haar hartslag mag niet meer  boven 110 gaan (wat zeer laag is). Hierdoor gaat haar zorgeloze leventje er helemaal anders uitzien.

Fragment:

Hannah:

Gek, hoe men van zijn eigen lichaam kan houden. Alsof het van iemand anders was. Alsof het een schilderij zou zijn, waar iedere schilder zijn naam wil onder zetten. Te mooi om van mij te zijn. Te mooi om van iemand te zijn. Mijn lichaam was te mooi om waar te zijn. Het is een sprookje. Er was eens heel lang geleden… mijn lichaam. Niet dat het er nu niet meer is, want ik ben nog, dat weet ik ook wel. Maar het mooie was net dat het kon bewegen. En de manier waarop. Nu kan het alleen nog maar wandelen. En in het wandelen, schittert er iets van vroeger. Een echo van lang geleden. Mijn wandelen is een soort gewichtloos doelen. Mijn dansen is een soort prentenboek waarin te traag wordt gebladerd. Mijn lichaam is nu een ouder vrouw die ik moet verzorgen. Ik moet er een ganse dag mee rondzeulen, met deze negenenveertig kilo mens. Vroeger was het anders. Vroeger ging mijn lichaam met mij op trot. Soms dagen na elkaar. Wij waren vrienden. Toen. En nu, nu lijken we te onderhandelen over onze scheiding.

“Wat een mooie ogen hebt gij toch”, zeg ik tegen mijn lichaam. En het lacht via mijn mond, zodat ik mee moet lachen. Een veel te mooie glimlach, waar ik jaloers op ben. Vroeger was ik het, die zo lachte. Ik heb die lach geoefend voor de spiegel. Een hand gaat door mijn haar, zoals ik dat vroeger deed. En ik huil. Ik dwing mijn lichaam tranen af. Ik dwing mijn lichaam om mijn pijn mee te voelen. Maar het blijft lachen en  lachen, terwijl ik bittere tranen huil. Ik besef dat ik de strijd verloren heb, maar ik kan het slachtveld niet verlaten.

Ik bén het slachtveld.